NIEUWS

Waar woont God?

Waar woont God?

Waar woont God?

Drs. Gijs van den Brink, 2019
Gepubliceerd in studieBijbel magazine 13.2

Waar is God?[1]Dit is een vraag die velen stellen. En daarmee vraagt men naar de aanwezigheid van God op aarde. Waaraan kan ik zien dat Hij er is, waar werkt Hij, waar woont Hij op aarde? Daarop wil ik een antwoord zoeken, voornamelijk vanuit het Nieuwe Testament.

Jezus Christus als Gods tabernakel

In Joh.1:14 lezen we het volgende: ‘Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.’ Het vleesgeworden woord heeft bij ons gewoond. Eigenlijk staat er: ‘en het heeft onder ons Zijn tent opgeslagen’ of ‘getabernakeld’ (eskēnōsen). Want het werkwoord skēnoō herinnert ons aan het wonen van God onder Israël in de ‘tent van de samenkomst’ (zie Ex.25:8,9; 29:46). Doordat het Woord onder ons was, hebben wij Gods ‘grootheid’(Gr. doxa) gezien. Doxa is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse kābōd, dat betrekking heeft op de machtige manifestatie van Gods wezen (zie Ex.40:34,35; 1Kon.8:10,11; Ps.102:16,17, vgl. Op.15:8; 21:11,23). Dus skenoo, tabernakelen, spreekt over de aanwezigheid van de Eeuwige in de persoon van Jezus Christus.

Jezus Christus als Gods Wijsheid

Dezelfde boodschap brengt Johannes ook naar voren door het Woord dat mens geworden is, Jezus, te beschrijven met de kenmerken van de gepersonifieerde Wijsheid uit de boeken Job en Spreuken.[2] Deze Wijsheid spreekt met goddelijk gezag en staat boven de geschiedenis. Deze Wijsheid in persoon is in het monotheïstische jodendom een omschrijving van God zelf. De boodschap van Johannes is daarom onomwonden deze: In Jezus is God zelf op aarde aanwezig.
Meteen al in het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes vinden we meerdere kenmerken van de gepersonifieerde Wijsheid.

  1. Voordat de wereld bestond woonde de Wijsheid bij God. (Spr.8:27-30; vgl. Joh.1:4,9)
  2. De Wijsheid is aanwezig in de volkerenwereld. (Spr.8:15-16; vgl. Joh.1:4,9)
  3. De Wijsheid daalt af naar de aarde (Spr.1:20-21; 8:1-5; vgl. Joh.1:9,14)
  4. De Wijsheid is verborgen (Job 28:13, 21; vgl. Joh.1:10)
  5. De Wijsheid wordt afgewezen. (Spr.1:24, 31-32; 8:36; vgl. Joh.1:11)
  6. De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen (Spr.1:33; 8:17,21,32-35; vgl. Joh.1:12)

Er is de laatste decennia een brede consensus ontstaan (in ieder geval in de Engelstalige wereld) om de christologie in het Evangelie naar Johannes te plaatsen tegen de achtergrond van de joodse wijsheidsleer. Aangezien de Wijsheid als persoon in het monotheïstische jodendom een omschrijving is van God zelf, is Jezus wanneer hij omschreven wordt in termen van Gods Wijsheid dus God zelf (vgl. Joh.1:1-2).

We zien in het evangelie naar Johannes de contouren van de leer van de triniteit ontstaan. De belijdenis dat Jezus God is, is niet een latere ontwikkeling in de vroege kerk, maar is al in het evangelie naar Johannes aanwezig.

Ook is de leer van de incarnatie, van de menswording van God, geen latere mythische ontwikkeling binnen de christologie, maar behoort tot het hart van de boodschap van het Nieuwe Testament. Jezus Christus is het vleesgeworden Woord, de Verlosser, die zichzelf geeft tot heil van de wereld.

Kerk als Tempel van God

De tweede plaats waar God aanwezig is en werkt op aarde is in de christelijke kerk. Dat komt meer dan eens naar voren in de brieven van Paulus. Zo zegt hij in 1Kor.3:16 ‘Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont?’ In dit gedeelte spreekt Paulus over de kerk als een bouwwerk waaraan gebouwd moet worden. En dan stelt hij de Korintiërs de indringende vraag: ‘Weten jullie niet dat jullie Gods tempel zijn?’ Merk op dat Paulus hier niet spreekt over de individuele gelovige (‘jij’), maar over de plaatselijke gemeente (‘jullie’), die als geheel de tempel van God is (vgl. 2Kor.6:16; Ef.2:21v.).
En in 2Kor.6:16 zegt Paulus: ‘Wij zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk.’ (vgl. 1Kor.3:16). De gelovigen vormen samen de tempel van God.
De stelling dat de gelovigen de tempel van God zijn, wordt door Paulus beargumenteerd met een citaat uit het OT, dat hij inleidt met ‘zoals God heeft gezegd’, namelijk in Lev.26:12. De gelovigen die behoren tot de gemeente van Christus zijn dus de woon- en verblijfplaats van God en worden ‘de tempel van de levende God’ genoemd.
In de brief aan de Efeziërs komt Paulus hierop terug. We lezen in Ef.2:21-22, ‘Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest.’ Paulus gebruikt een dubbele beeldspraak, nl. bouwen en groeien (vgl. Ef.3:17). Het beeld van het gebouw dat wordt ‘samengevoegd’ wordt aangevuld met het beeld van een lichaam, dat ‘groeit’ (Ef.4:15-16). Deze samenvoeging en groei is alleen mogelijk vanuit de verbondenheid, de relatie met Jezus Christus. Einddoel van dit bouwproces is een ‘tempel’, namelijk de woonplaats van God. Hij woont in de kerk ‘door zijn Geest’.
Al hier en nu wordt de gemeente Gods tempel genoemd, zoals we ook zagen in de brief aan de Korintiërs. Maar hier in Efeziërs wordt duidelijk, dat het bouwproces nog niet af is. De éne gemeente van God, bestaande uit Joden en heidenen is nog niet af en nog niet volmaakt.
Deze ‘tempel van God’ zal pas voltooid zijn op de dag dat Jezus Christus terugkomt.

Kerk als lichaam van Christus

Een tweede beeld dat Paulus gebruikt, is de gemeente als het ‘lichaam van Christus’. Paulus leert dat de kerk niet slechts een maatschappelijke organisatie of vereniging is, maar een organisme, te vergelijken met een menselijk lichaam (Rom.12:4; 1Kor.12:12vv.).

Hij zegt: ‘Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam. Zo is het ook met het lichaam van Christus.’ (1Kor.12:12).

De kerk van Jezus Christus op aarde wordt door hem gezien als een lichaam, waarin de heilige Geest woont. De kerk is de woonplaats van Gods Geest op aarde. Zoals een menselijk lichaam bijeen gehouden wordt en levend is door de geest, zo wordt het lichaam van Christus bijeengehouden door de Heilige Geest (1Kor.12:13).
Het beeld spreekt niet alleen over de woonplaats van Gods Geest, maar zegt ook iets over hoe die woonplaats eruit ziet. Het gaat over eenheid en diversiteit. De eenheid van de gemeente bestaat in de ene Heilige Geest, die de verschillende leden, ieder met een eigen functie, in harmonie doet samenleven en samenwerken. Hij vergelijkt de gemeente niet alleen met een lichaam (1Kor.12:12-16), maar zegt ‘u bent het lichaam van Christus en ieder van u maakt daar deel van uit’ (1Kor.12:27). Dit gaat verder dan onderlinge relaties. De gelovigen vormen samen mond en handen van Jezus Christus. Door zijn gemeente werkt Jezus Christus in deze wereld. De kerk van Christus is de woonplaats van Gods Geest op aarde.

Nieuwe aarde als toekomstige woonplaats van de Drie-ene God

Naast de aanwezigheid van God in Jezus en in de gemeente, lezen we ook over de nieuwe aarde als een woonplaats van God. In Op.21:3 lezen we ‘Gods tent is onder de mensen, hij zal bij hen zijn tent opslaan. Zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal als hun God bij hen zijn.’ De skēnē, ‘tent’ is een beeld van de heerlijkheid van God Zelf.
Eerst woonde Gods heerlijkheid bij de mensen in de tabernakel en de tempel van Israël. Daarna volledig in Jezus Christus als het mens geworden Woord (Joh.1:14; Kol.2:9). Nu woont Gods Geest in de christelijke gemeente. En het boek Openbaring geeft aan dat God in de toekomst volledig en definitief op aarde zal wonen. Met de woorden ‘God Zelf zal bij hen wonen’ wordt de intieme relatie benadrukt die er zal zijn tussen God en de mensen. Wat dat betekent lezen we ook: ‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij’ (Op.21:4).
Tot slot wil ik twee toepassingen bespreken van wat hiervoor gezegd is.

Het wonen van God en de missionaire gemeente

We zagen dat God woonde in de mens Jezus Christus en dat Gods Geest woont in de kerk als het lichaam van Christus. Wat is de betekenis van de incarnatie, de menswording voor de kerk?

De missioloog David J. Bosch stelt in zijn standaardwerk Transforming Mission dat de Rooms-katholieke, Oosters-Orthodoxe en Anglicaanse theologie de incarnatie doorgaans veel serieuzer nam dan de Reformatie.[3]

Pas in de tweede helft van de 20e eeuw is hierin volgens hem verandering gekomen en werd de menswording door protestantse missiologen naar voren gehaald om de zendingsopdracht te beschrijven.[4] Jezus Christus is ook de Jezus van Nazaret die als een ‘arme’ door het land Israël loopt en de blijde boodschap van het Evangelie deelt met armen en behoeftigen.

Hij is niet alleen degene die eeuwige redding aanbiedt, maar ook degene die al zijn goddelijke karaktereigenschappen aflegt om zich te begeven onder zondige mensen.

Zondig en arm, hij leeft met en onder het uitvaagsel van de samenleving. En samen met hen geeft hij gestalte aan het Koninkrijk van God dat met Hem is aangebroken.

Bosch vraagt zich af of de ingeburgerde kerk in het Westen niet teveel is meegegaan in de leer van het docetisme, dat geen oog heeft voor de menselijke kant van Jezus. Het docetisme leert dat het lichaam van Jezus alleen een omhulsel is van zijn goddelijkheid. Zo’n kerk heeft haar relevantie verloren. Als we de incarnatie serieus nemen en als we met Paulus belijden dat de kerk het ‘lichaam van Christus’ is, dan heeft het aardse leven van Jezus veel te zeggen over de levensstijl van de missionaire gemeente in de 21e eeuw (vgl. Fil.2:5).

Wonen van God op aarde en het milieu

De tweede toepassing gaat over het actuele thema van het milieu. Het thema van Jezus als de mens geworden goddelijke Wijsheid leert ons dat Christus niet alleen middelaar van de herschepping, de verlossing is, maar ook van de schepping. De herschepping in Christus is een verlossing en een vernieuwing van de eerste schepping.[5] De herschepping in Christus is niet beperkt tot de verlossing van de mens, maar omvat de totaliteit van Gods schepping, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (vgl. Op.21-22; Kol.1:12-23). Jezus is niet alleen het Woord of de Wijsheid waardoor God alles schiep, maar Hij is ook de onderhouder van de voortgaande schepping (vgl. Kol.1:17; Heb.1:3). En zo is Hij ook de Verlosser en Voltooier van de schepping.

De herschepping is dus niet alleen geestelijk, maar even alomvattend als de oorspronkelijke schepping. Het betekent het einde van elk dualistisch denken in geest en materie! Beide zijn door God geschapen en worden door Hem hersteld.

Paulus zegt ‘Maar … ook de schepping zal verlost worden uit de slavernij van de vergankelijkheid,… Wij weten immers dat de hele schepping kreunt en onder barensweeën lijdt, nog altijd.’ (Rom.8:21-22) Zoals de hele schepping gebukt gaat onder de gevolgen van de zonde, zo zal eens de hele schepping verlost zijn van zonde en Zijn heerlijkheid uitstralen.
Zoals de schepping lijdt onder de gevolgen van ’s mensen zonde, zo zal diezelfde schepping dus ook delen in de verlossing van ’s mensen zonde.

Dit is een genadegave van God, maar stelt tegelijk ook eisen aan het christelijk leven. Deelhebben aan de verlossing van Christus heeft dus consequenties voor onze omgang met onze naaste en met de schepping. Wanneer we de relatie tussen onze zonde en de milieucrisis beseffen kunnen we bovendien stellen dat menselijke wijsheid niet voldoende is om de complexe ecologische problematiek op te lossen. Een bekering is noodzakelijk.
En uiteindelijk zal een nieuwe Komst van de Zoon van God nodig zijn. God zal Zijn schepping niet laten vallen.
En zo verwachten wij naar Zijn belofte de wederkomst van de Zoon des Mensen en met Hem een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op.21-22).

Noten

[1] Dit is en bewerking van de lezing die gehouden werd op het CVB symposium in Veenendaal zaterdag 21 september j.l.

[2] Zie G. van den Brink, ‘Jezus en de Wijsheid. Over de messiaanse diepgang van de Johanneïsche christologie’ in:  H. Holwerda, C. van der Ziel (red.), Het stralend teken. 60 jaar exegetische vergezichten van dr. D. Holwerda, Franeker: Van Wijnen, 2010. In het deuterocanonieke boek Wijsheid 9:1-2 komen λoγoς en sofia  parallel voor en in het hele boek krijgt de joodse sofia  kenmerken van de Griekse λoγoς toegedacht. Ook de ‘wijsheid’ en de ‘zoon’ zijn met elkaar verweven in het boek Wijsheid (Wijsh. 2).

[3] D.J. Bosch, Transforming Mission. Paradigm Shifts in Theology of Mission (New York, 1991, 20062) 512-513.

[4] Bosch noemt als omslagpunt de Melbourne conferentie van de Wereldraad van Kerken in 1980. Sindsdien  is er veel meer aandacht voor het aardse leven van Jezus. Hetzelfde geldt ook voor de evangelische theologie, zie bv. B.L. Myers, Walking with the Poor. Principles and Practices of Transformational Development (New York 1999, 200814) 46-50.

[5] M.b.t. de consequenties voor de geloofsleer, zie de verhandeling over de ‘kosmische Christus’ in J. Moltmann, The Way of Jesus Christ. Christology in Messianic Dimensions (Minneapolis 1993), 274-312. En meer recent: R.R. Hausoul, Gods toekomst voor de dieren. Van schepping tot nieuwe schepping (KokBoekencentrum: Utrecht, 2019) 153-198; Hans Burger, ‘Bijbel en ecologische vragen. Van buikspreken naar bijbels onderscheidingsvermogen’, in Inspirare. Tijdschrift voor charismatische en evangelische theologie 02-2019 (juni, 2019) 41-48.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *