Ik wilde graag geloven en met eigen woorden met God spreken

Dat het christelijk geloof niet allerlei vreemde sharia wetten heeft was voor mij een belangrijk keerpunt. De bijbel is een levend boek en Jezus is het levende Woord. Hij is altijd bij je.

Mijn vader is moslim en volgt alles wat in de Koran staat. Alleen vasten doet hij niet, omdat zijn gezondheid dat niet toelaat. Toen ik op school zat deed ik ook aan alles mee, tot aan mijn 16e. Toen kreeg ik veel vragen, waarom we deden wat we deden. Er was bijvoorbeeld een imam, hij heette Reza en hij was een beschermer van herten. Ik ging erover nadenken wat ik geloofd zou hebben als mijn vader communist of Hindoe geweest zou zijn. Zou ik dat dan ook geweest zijn? Ik hield op met bidden en zocht op internet antwoord op mijn vraag of de Koran waarheid was of niet. Ik las allerlei argumenten tegen en kreeg twijfel. Ik ging twijfelen of Mohammed wel de grootste profeet was en of de Islam wel de volmaakte godsdienst was. De Islam kent vijf grote profeten en de laatste en grootste is Mohammed. Als Mohammed niet de volmaakte laatste profeet is, dan zijn de profeten voor hem nog minder goed, dacht ik. Zo raakte ik mijn geloof in de profeten kwijt, maar ik bleef alleen wel in God geloven, dat God bestaat. Ik las teksten van atheïsten die zeiden dat God niet bestond. Toen bad ik tot God en vroeg hem wie de waarheid spreekt. Wie heeft gelijk? De atheïsten of mensen die geloven dat God bestaat? Ik worstelde met vragen over de God van de Islam. Als hij almachtig is en alles gemaakt heeft, hoe kan hij dan aan mensen vragen om precies op bepaalde tijden te bidden? Zoiets onbelangrijks. Ik kon niet begrijpen dat dit belangrijk was. Ik bad op mijn eigen manier tot God, in het Farsi en vroeg hem wat hij van mij wilde?

Op een dag vroeg ik aan de directeur van de school of God bestond of niet? Hij zei: je hoeft het niet te begrijpen, je moet God prijzen. Als je teveel nadenkt over geloof, wordt je ziek, zie hij.

Van mijn moeder hoorde ik voor het eerst over Jezus. Zij is christen. Ik wist dat daarvoor nog niet. Wel wist ik dat ze een christelijke vriendin had. Mijn moeder ging een paar keer per week naar haar toe. Die vriendin was een heel rustige persoon. Als er iets ergs gebeurde bleef zij toch rustig. Dat zette mij aan het denken. Was het haar karakter? Of was ze naïef? Mijn moeder vertelde me over haar gesprekken met haar vriendin. Ze vertelde me over haar innerlijke strijd om te kiezen tussen Islam en christelijk geloof. Voor mij was een ding duidelijk, ik geloofde niet in de Islam. Mijn moeder vertelde mij over de zonde en dat wij zondige mensen zijn. Ook zei ze dat christenen direct naar de hemel gaan als ze sterven. Als moslim weet je dat nooit. Ik vond het heel mooi wat mijn moeder vertelde. Ook zag ik dat ze niet meer eerst ging handenwassen en reinigen, maar dat ze zonder dat alles tot God kon bidden. Ik was toen 19 jaar. Ze zei dat christenen ook geen sharia hebben. Daar moest ik ook over nadenken. Ik dacht altijd dat alle godsdiensten een sharia hadden. Dat was de aanleiding dat ik meer over Jezus wilde weten. Vanaf die tijd wilde ik precies weten wat het christelijk geloof inhield. Mijn moeder volgde Skype lessen bij pastor Ussefi in Nederland. Ik stelde hem ook veel vragen en ik kreeg antwoorden op al mijn vragen. Het was in die tijd van de skypelessen met pastor Ussefi dat ik tot geloof in Jezus kwam. Dat gebeurde over een tijdspanne van vijf maanden. Omdat ik antwoorden op al mijn vragen kreeg, ging ik nu serieus geloven in Jezus. Pastor Ussefi heeft ook met mij gebeden. Hij zei tegen me dat als ik met mijn hart bidt en met mijn mond het geloof in Jezus belijd dat ik dan de heilige Geest zou ontvangen. Dit gebed was voor mij een bevestiging dat ik christen was. Ik wilde graag geloven en met eigen woorden met God spreken.

Dat het christelijk geloof niet allerlei vreemde sharia wetten heeft was voor mij een belangrijk keerpunt. De bijbel is een levend boek en Jezus is het levende Woord. Hij is altijd bij je.

Jezus is voor mij de Weg naar God.

A.S.M. 24-02-2017