NIEUWS

Geweldloosheid

Geweldloosheid

‘Hij verzette zich niet’

Over de joods-christelijke wortels van geweldloosheid

Drs. Gijs van den Brink, 2018
Gepubliceerd in StudieBijbel magazine 11.3

 

In onze tijd horen we vaak spreken over een islamisering van onze samenleving. En dan gaat het over de opkomst van de Islam, waarin men geweld een grote rol toekent. Dit gebeurt in ieder geval in de presentatie door de media en komt daarmee ook in de perceptie van veel mensen. Dit is al een behoorlijk snelle conclusie, maar het is nog kwalijker. Want in de slipstream van de Islam worden ook de andere twee boekreligies, jodendom en christendom, genoemd en in verband gebracht met geweld. Volgens die opvatting betekent religie oorlog. Hoe anders is het gesteld met de feiten. Ik wil u graag meenemen op een korte zoektocht naar de wortels van geweldloosheid in het christendom. We vinden deze in de roeping en bediening van Jezus, de Messias van Israël.

De Knecht van de Heer in Jesaja

Over radicale geweldloosheid wordt al in de 8e eeuw v.Chr. door de profeet Jesaja gesproken als hij zijn profetieën over de ‘Knecht van de Heer’ doorgeeft (Jes.40-55). Deze Knecht ‘schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet, hij roept niet luidkeels in het openbaar’ (Jes.42:2). Hij ziet op God en zegt ‘de Heer zal me recht doen, mijn God zal me belonen’ (Jes.49:4). Hij heeft zijn rug blootgesteld aan zijn folteraars, en die hem de baard uittrokken, bood hij zijn wangen aan (Jes.50:6). En dan nog de overbekende verzen uit Jes.53 ‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open’ (53:7).
Jesaja spreekt over een Knecht die wordt geslagen en mishandeld, die zich desondanks niet verzet, maar geheel afziet van geweld. Hij verwacht het alleen van God en brengt zo verlossing voor Israël en de volkeren (Jes.42:4,6; 49:6,8).

Roeping van Jezus bij zijn doop

De openbare bediening van Jezus begint bij zijn doop. Wanneer Hij uit het water komt daalt de Geest als een duif op hem neer. En een hemelse stem proclameert het volgende: ‘Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb’ (Mat.3:17//Mar.1:11//Luc.3:22). De stem bevestigt met woorden wat de uitstorting van de Geest op Jezus betekent. De woorden herinneren aan Psalm 2 (vs.7 ‘dit is mijn zoon’), maar vooral aan de ‘Knecht van de Heer’ in Jesaja 42 (vs.1 ‘in wie Ik welbehagen heb’. De proclamatie van de Vader houdt in, dat Jezus zijn eniggeboren Zoon is, die de messiaanse taak van de ‘Knecht van de Heer’ uit Jesaja zal volbrengen.
Bij zijn doop wordt Jezus dus door de Geest van God vervuld. Hij ontvangt de roeping van God om zijn boodschapper te zijn en om de door God beloofde heilstijd tot vervulling te brengen. Hij wordt voor deze taak toegerust met de Heilige Geest. Vanaf zijn doop weet Jezus Zich geroepen om de taak van de door Jesaja beloofde ‘Knecht van God’ te volbrengen (Jes.42, 49, 50, 53).
Er zijn in Psalm 2 (vs.9) en Jesaja (bv. 63:1-3) ook teksten die over het gebruik van geweld spreken, maar deze worden bewust door Jezus bij zijn eerste komst (in nederigheid) niet aangehaald. Als Hij in de synagoge van Nazaret uit Jesaja 61:1-2 voorleest, stopt Hij halverwege vers 2 en noemt Hij niet ‘een dag van wraak voor onze God’ (Luc.4:16-21). Straks bij zijn wederkomst zal Hij wel komen om te oordelen en recht te verschaffen.

‘Mensenzoon’ en ‘Knecht van de Heer’

Ook de titel ‘Mensenzoon’ die Jezus gebruikt voor zichzelf, heeft een relatie met deze ‘Knecht van de Heer.’ [1] Al in de apocalyptiek (1Henoch en 4Ezra) had de ‘Zoon des mensen’ kenmerken van de ‘Knecht van de Heer’ uit Jesaja gekregen. Hij wordt er beschreven als ‘het licht van de volken’ (vgl. Jes.42:6; 49:6), de ‘uitverkorene’ (vgl. Jes.42:1), de ‘rechtvaardige’ (vgl. Jes.53:11), en als ‘verborgen’ (vgl. Jes.49:2). Koningen zullen voor Hem neerbuigen (vgl. Jes.49:7; 52:13-15) en hij wordt ‘mijn (Gods) knecht’ genoemd.
Door Jezus wordt de verbinding tussen de ‘Mensenzoon’ en de ‘Knecht van de Heer’ uit Jesaja doorgetrokken. Heel duidelijk blijkt dit  bijvoorbeeld in Mar.10:45 ‘Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen’. Hier noemt Jezus het centrale thema van de ‘Knecht des Heren’-profetieën en maakt Hij een duidelijke toespeling op Jes.53:5. Jezus geeft aan dat Hij de Mensenzoon is, maar dat zijn bediening die van de Knecht van de Heer uit Jesaja is. Hiermee zijn we terug bij de roeping die Jezus bij zijn doop ontving.
De profetieën van Jesaja over de ‘Knecht van de Heer’  vormen het hart van de identiteit, bediening en boodschap van Jezus Christus. Ze spreken over een verlosser die het heil van God voor Israël als ook voor de wereld zal brengen via een weg van volkomen toewijding aan God en radicale geweldloosheid.

Bergrede een boodschap voor volgelingen

In de Bergrede blijkt duidelijk dat Jezus de boodschap van de ‘Knecht van de Heer’ predikt. Hij roept op tot geweldloosheid, geheel in lijn met wat over de ‘Knecht’ werd geprofeteerd door Jesaja.
Het is van belang op te merken tot wie Hij hier spreekt. Hij spreekt in zijn toespraak op de berg, de zogenaamde Bergrede, niet tot alle mensen en Hij geeft al helemaal geen manifest af voor een overheid. Een overheid kan niet geven aan iedereen die iets vraagt of de andere wang toekeren aan iemand die geweld gebruikt (Rom.13:4).
In Mat.5:1-2 blijkt duidelijk voor wie de boodschap van Jezus hier is bedoeld. “Bij het zien van deze menigte ging Hij de berg op, en toen Hij was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen met deze toespraak.” ‘Zijn leerlingen kwamen tot Hem’. Jezus richtte zich in het hierna volgend onderwijs (Mat.5:3-7:27) primair tot Zijn discipelen (vs.2: hen), tot hen, die zich bij Hem hadden aangesloten, terwijl het volk op enige afstand meeluisterde (Mat.7:28). De Bergrede bevat niet een algemene moraal of leefregel. Binnen de historische context waarin Jezus deze rede heeft uitgesproken, zijn de woorden een oproep aan zijn volgelingen als het nieuwe messiaanse volk van God. Het betreft een leefwijze die hoort bij het Koninkrijk van God. Door zo te leven zullen zij een voorbeeld en een teken zijn van de vrede die God aan de wereld wil geven (Mat.5:16).

De andere wang toekeren

Hoe Jezus zich dit praktisch voorstelt, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende uitspraak: “Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand. En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.” (Mat.5:38-39)
De tekst veronderstelt de onschuld van de discipelen. De andere wang toekeren betekent afzien van vergelding (vgl. Spr.20:22; 24:29) en ervoor kiezen zich kwetsbaar op te stellen. Jezus zelf is ons in deze houding voorgegaan (Mat.26:67-68; 27:30; 1Pet.2:23) .
Er is overigens meer aan de hand. Het slaan op de rechterwang betekent meer dan een fysieke klap op het gezicht krijgen. Als je iemand op de rechterwang wilt slaan, dan moet je dat met de rug van de hand doen. Zo’n slag werd door de joden en wordt tot op heden in het Oosten nog als de ergste belediging beschouwd. Jezus geeft hier dus geen voorbeeld van een vuistgevecht, maar van een ernstige vernedering en belediging, waarbij fysiek geweld wordt gebruikt. Dit soort vernederingen vinden doorgaans plaats in ongelijke relaties. Meesters vernederen hun slaven op deze manier.
Jezus vraagt zijn volgelingen om bij dergelijke gewelddadige vernederingen af te zien van geweld. Hij roept zijn volgelingen op zich niet te verzetten (antistènai, meestal gebruikt voor verzet met gebruik van geweld) en geen kwaad met kwaad te vergelden. Hij wijst een andere weg, een andere houding t.o.v. de naaste, een houding die, als zij consequent aanwezig is, geweld beperkt en zelfs kan uitbannen.
Het is geen oproep om de status quo te bevestigen, zoals wel beweerd is. Dat zou in regelrechte strijd zijn met de beginselen van het Koninkrijk van God, een Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Nee, het tegendeel is het geval. Het afzien van verzet en geweld ontneemt de onderdrukker zijn macht om te vernederen. Wie de andere wang toekeert, laat daarmee zien dat het vernederende effect niet bereikt wordt. En zo wordt de onderdrukker bij die daad van zijn vernederende macht beroofd.[2] Afzien van geweld is dus geen daad van passiviteit en lafheid. Het is een daad van moed en van liefde voor God en voor Zijn Koninkrijk. Daarom is volgens de 16e eeuwse dopers die principieel geweldloos leefden ‘Gelassenheit’ geen passieve houding, maar een positieve geestelijke actieve houding, die zij als hoger waardeerden dan geloof en werken. Het is een houding van zich ‘in Christus still halten’ die uiteindelijk tot God leidt.[3]

U zult uw naaste liefhebben als uzelf

Als Jezus de hele Wet en Profeten samenvat zegt hij: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.” (Mat.22:37-39)

Je naaste liefhebben als jezelf. Dit woord wordt vaak vreselijk misverstaan. Vandaag hoor je overal: je kunt een ander alleen liefhebben als je eerst jezelf kunt liefhebben. Dat wordt verkondigd door christen psychologen en psychotherapeuten. En het thema is dominant aanwezig in stichtelijke lectuur. Het thema op zich is belangrijk, maar het is geheel buiten de waarheid als we het tweede gebod hiermee invullen alsof Jezus hier zou spreken over eigenliefde en zelfaanvaarding. Het Evangelie spreekt niet over zelfaanvaarding, maar over bekering. Het spreekt ook niet over je met jezelf verzoenen, maar over verzoening met God en de naaste.

In de Bijbel is het ‘uzelf’ niet zo strikt individualistisch bedoeld als in onze moderne tijd. Dat is goed te zien in de roeping van Abraham. God zegt in Gen.12:2 Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat u een zegen zult zijn. Over wie gaat ‘u’ hier? Over Abraham, maar niet over hem alleen, ook over zijn vrouw Sara en neef Lot en alle familie die met hem uit Haran wegtrok naar Kanaän. Dit is de culturele achtergrond van het begrip ‘uzelf’ in het OT.  Het ‘uzelf’ gaat over je verwanten, en met name je directe familieleden.[4]
Het gebod de naaste lief te hebben ‘als uzelf’ betekent in Lev.19:18, 34 dat je hulp en medeleven die je aan je eigen familieleden geeft, ook aan alle volksgenoten moet geven. Zelfs aan vreemdelingen. Het is duidelijk dat deze lezing mijlenver verwijderd is van de zelfacceptatie die wij vandaag steeds horen.
Ook in de dagen van Jezus was deze boodschap blijkbaar verwaterd. Hij herhaalt het gebod tot naastenliefde uit Lev.19 en zegt dat dit gebod even belangrijk is als het eerste gebod, God liefhebben. Deze twee geboden waren door Mozes niet aan elkaar gelinkt. Daarmee maakt Jezus het nog radicaler.

Heb uw vijanden lief en bid voor wie u vervolgen

Dat blijkt ook uit een andere uitspraak: “U hebt gehoord dat er gezegd is: U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten. Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen” (Mat.5:43-44, HSV). Jezus citeert een verkorte vorm van Lev.19:18. De kern van het vers wordt verbonden met een ingeburgerde consequentie: uw vijand zult u haten. Zo leerde men in Qumran bv. expliciet het haten van vijanden (1QS 1:4,10-11; 9:21-26).
In dit vers blijkt ook wat Jezus onder vijanden verstaat. Het zijn niet alleen persoonlijke tegenstanders, maar ook mensen die de discipelen vervolgen en gewelddadig behandelen, d.w.z. tegenstanders en vijanden van God. Jezus benadrukt het gebod ‘u zult uw naaste liefhebben’ en legt het duidelijk uit: als onze naaste zich vijandig tegen ons opstelt, ons bijvoorbeeld vervloekt, haat, bedreigt of vervolgt, moeten wij hem nog liefhebben. Toch heeft de liefde voor onze vijanden een ander karakter dan die voor onze vrienden. Als het om onze geliefden gaat, is er sprake van een natuurlijke liefde, die in ons hart geboren wordt, terwijl bij het liefhebben van onze vijanden de wil en de daad een veel grotere rol spelen. Dit blijkt hier uit de andere geboden, die Jezus geeft (zegent, doet wel en bidt voor hen). Het zegenen van hen die ons vervloeken en het bidden voor onze vervolgers vooronderstelt dat we hen vergeven hebben en spreekt dus over onze gezindheid bij het liefhebben van vijanden.

Goed met kwaad vergelden is wat de duivel doet, goed met goed en kwaad met kwaad is wat de mens doet, en kwaad met goed vergelden is Gods weg. Dit laatste is ook de houding die van ons christenen vandaag gevraagd wordt, in de tijd vóór de wederkomst van Christus. We laten het oordeel aan God over. In de toekomst zal Hij ieder mens beoordelen naar wat op aarde gedaan is, en dan zal er ofwel vrijspraak zijn ofwel vergelding.

 

[1] Voor een uitvoerige uiteenzetting zie: G. van den Brink, ‘Wie is Jezus Christus’ in: G. van den Brink e.a., Bijbelcommentaar Inleiding en Synopsis (StudieBijbel deel 1, CVB 2003) 199-202.

[2] Walter Wink, Jesus and Nonviolence. A Third Way (Minneapolis, Fortress Press: 2003) 13-15.

[3] Henk Bakker, ‘Een olifant in de kerk? Maar niemand heeft het over een olifant! Pleidooi voor een ethiek van vrede in het spoor van de dopers. Soteria 34.4 (2017) p.29.

[4] Gerhard Lohfink, Did the Early Christians Understand Jesus? Nonviolence, Love of Neighbour and Imminent Expectation’ in: Plough Quarterly, 2016 no.8, p.45-46

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *