NIEUWS

De Grote Opdracht in Matteüs 28

De Grote Opdracht in Matteüs 28

De Grote Opdracht in Matteüs 28:18-20

Drs. Gijs van den Brink, 2017
Gepubliceerd in StudieBijbel magazine 11.2

 

De laatste verzen van het Evangelie naar Matteüs zijn bekend geworden onder de titel “De Grote Opdracht” en zijn waarschijnlijk de meest geciteerde verzen wanneer we christenen en kerken willen motiveren voor zending. Maar welke opdracht geeft Jezus hier eigenlijk? En waarom zijn juist deze woorden de laatste zinnen van het evangelie naar Matteüs? En waarom bevinden de apostelen zich in de tijd van de steniging van Stefanus (Hand.8:1) nog steeds in Jeruzalem en niet ver over de grenzen van Israël? Zijn ze ongehoorzaam geweest? Hebben zij de woorden van de Heer anders uitgelegd dan wij doen? Wat is hier aan de hand? Wij gaan op zoek naar een antwoord.

Mat.28:18-20

Voor een goed begrip is een letterlijke vertaling wenselijk:
18  “En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19  En heengaande, maakt al de volken tot discipelen, hen dopende in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; 20  lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. 20 En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld.” 

In deze vertaling is te zien dat er eigenlijk maar één opdracht wordt gegeven, namelijk “maakt al de volken tot mijn discipelen”. En Jezus zegt hoe zij dit moeten doen, door heen te gaan, hen te dopen en hen te leren alles wat hij gezegd heeft in praktijk te brengen. Maar het “heengaande” dat vandaag meestal wordt gelezen als “heengaande naar de volkeren”, is door de apostelen blijkbaar niet zo opgevat. Zij gingen wel heen, maar ze gingen van Galilea naar Jeruzalem en daar bleven zij.
Terwijl wij vaak de nadruk leggen op de eerste woorden van Jezus in vers 19 en hieraan onze eigen toepassing geven, waren de apostelen onder de indruk van zijn woorden in vers 18. En daarom haastten zij zich naar Jeruzalem. Waarom?

Belofte voor gelovigen uit de volkeren

Jezus kondigde aan door zijn dood en opstanding heen een overwinning op de satan te behalen (Mat.24:30; 26:64). Gods macht is groter dan die van de tegenstander. Op het hoogtepunt van de verdrukking zal God een keer brengen in het lot van Zijn volk. Met deze overwinning zal ook de tijd van de heidenen aanbreken. Meerdere keren heeft Hij aangegeven dat ook de heidenen deel zouden gaan uitmaken van het komende Koninkrijk van God (Mar.11:17; Joh.10:16; vgl. Mat.25:32v.). Zij zullen na de overwinning van God op het rijk der duisternis toestromen van Oost en West (Mat. 8:11v. par.). Dit is de oudtestamentische verwachting, dat de volken in de laatste dagen naar de berg Sion zullen komen (Jes.2:2-5; Micha 4:1-5; Zach.8:20-23). Het is de zendingsvisie van het Oude Testament.
De gedachte was niet dat Israël naar de volkeren moest gaan, maar omgekeerd, dat in de laatste dagen de volkeren zullen optrekken naar Jeruzalem om er door de God van Israël onderwezen te worden.
In Jezus’ heilshistorische visie breken de laatste dagen voor de heidenen pas aan nadat eerst aan Israël het heil is aangeboden en vervuld. Eerst moet de Messias als Knecht van de Heer zijn leven geven als losprijs voor velen (Mar. 10:45), voordat het uur van de heidenen aanbreekt. Dit gebeurt na zijn dood en opstanding.
Het moment van deze omslag heeft Jezus zelf nog aangegeven. Dat gebeurt in Mat.28:18-19: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan heen, maakt al de volkeren tot mijn discipelen …’
Nu is de nieuwe tijd gekomen, waarin ook de volken zullen delen in het heil van de Messias.

Waarom de discipelen naar Jeruzalem gaan

De discipelen gaan na de kruisiging naar Galilea, zoals de engel en ook Jezus zelf hen gevraagd hadden (Mat.28:7, 10). Nadat Jezus hen daar verschenen is, gaan zij terug naar Jeruzalem en daar zijn ze vervolgens ook gebleven (Hand.1:4; 8:1). Waarom? De apostelen beoogden in Jeruzalem ‘heel Israël’, dat bij de grote feesten vanuit de diaspora daarheen kwam, het nieuws over Jezus te vertellen. Ze verwachtten dat het volmaakte Koninkrijk, de definitieve heilstijd (Hand.1:6), dáár zou aanbreken.
Wij beginnen nu beter te begrijpen waarom de apostelen het ‘heengaande’ in de zendingsopdracht van Jezus anders hebben begrepen dan wij dat vandaag doen. Zij gingen niet naar de volkeren, maar naar Jeruzalem, omdat zij verwachtten dat de volkeren naar Jeruzalem zouden komen. Hun verwachting was dat Israël zich spoedig zou bekeren tot zijn Messias (Hand. 1:6; 3:19), dat Jezus dan zou terugkomen en dat vervolgens de volkeren naar Jeruzalem zouden optrekken (vgl. Jes.2:2-4). Zo hebben zij de belofte van Jezus over de volkeren (Mat.8:10v. par.) en ook zijn zendingsopdracht na zijn opstanding begrepen. De kerkhistoricus Eusebius vertelt dat Jacobus nog tot 62 na Chr. dagelijks heeft gebeden om de bekering van het volk Israël (Kerkgeschiedenis 2,23,11-19).

Maar terwijl de gelovigen uit de Joden baden voor de bekering van Israël, begon met de vervolging die in en rond Jeruzalem plaatsvond spontaan een zendingsbeweging. Gelovigen vluchtten naar Judea en Samaria, maar ook naar Fenicië, Cyprus en Antiochië (Hand.8:1-5; 11:19v). Zo ontstond al heel vroeg de eerste christelijke gemeente onder de heidenen, namelijk in Antiochië, de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië, in grootte de tweede stad van het rijk, met een bevolking van zo’n 400.000 inwoners. In deze gemeente werden nieuwe gelovigen gedoopt zonder dat een besnijdenis geëist werd of dat zij zich moesten onderwerpen aan de wet van Mozes (vgl. Hand. 15:19-20 ). En daarna is het Evangelie door Paulus en anderen verspreid over de gehele toenmalige wereld.

‘Mij is gegeven alle macht’

Het ‘heengaan’ en de perceptie van Jezus en de apostelen over het bereiken van de volkeren met het Evangelie was dus iets anders dan de perceptie die wij daar doorgaans bij hebben. Maar hoe is dat bij de opdracht die Jezus geeft? Daar willen we nu kort bij stilstaan.
Het is van belang dat de opdracht niet begint met vers 19, met een activiteit van de apostelen, maar met vers 18, met een verandering in positie van Jezus. Hij zegt: ‘Mij is gegeven (namelijk door God) alle macht (d.w.z. volmacht, autoriteit) in hemel en op aarde’. Deze woorden herinneren duidelijk aan Dan.7:14 ‘… en hem (iemand gelijk een mensenzoon) werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij …’
De Zoon des mensen, die vernederd werd en moest lijden, ontvangt van God universele en eeuwige heerschappij. Naar de profetie van Daniël wort Jezus nu verhoogd en aangesteld als Heerser en Rechter van de wereld. Over deze verhoging heeft Jezus tijdens Zijn leven verschillende keren gesproken (vgl. Mat.16:28; 24:30; 26:64). Nu blijkt dat Zijn verhoging met Zijn opstanding is aangevangen. Vanuit de profetieën in het OT wordt de komst van de Messias ons getekend als één komst. Profetieën schilderen gewoonlijk slechts hoogtepunten. De profeten hebben de bergtoppen van de komende tijd geopenbaard gekregen en verkondigd. Wat vanuit de profetieën één heilsperiode scheen, blijkt nu in meerdere fasen te komen. Een eerste en een tweede komst van de Messias.
Toch is het vanuit het OT gezien beter de komst van de Messias als één komst te zien in twee of drie fasen: zijn komst in het vlees, zijn komst in de Geest en zijn komst in heerlijkheid. Zo kunnen we stellen dat in Christus de toekomst nu al is begonnen. Zo is er ook sprake van één Koninkrijk van God dat in twee of drie fasen doorbreekt: nu al ten dele, maar straks op een diepere, grotere en volmaaktere wijze.
Ook tijdens Zijn leven had Jezus als Zoon des mensen macht (o.a. Mat.7:29; 9:6; 21:23), maar deze was beperkt door de weg van vernedering die Hij moest gaan (vgl. Mat.26:53-54). Maar nu wordt Zijn aanspraak op alle macht (Mat.11:27) vervuld; Hij zal zitten aan de rechterhand van de Vader (Mat.26:64) en alle macht in de hemel en op de aarde krijgen.

‘Maakt al de volken tot discipelen’

De opdracht alle volken tot discipelen te maken is een gevolg van Jezus’ nieuwe positie, zoals hij zelf zegt in vers 18. Met de verhoging en het koningschap van Jezus gaan nu ook andere profetieën in beginsel in vervulling, onder andere dat het heil van God nu ook tot de volkeren komt. Ook voorheen hadden de discipelen het Evangelie gepredikt, maar het arbeidsterrein bleef toen beperkt tot het Joodse land (Mat.10:5-6). Nu is er een nieuw tijdperk aangebroken, waarin ook de volkeren mogen delen in het heil van de Messias. Alle accenten liggen in dat tijdperk op de vervulling van beloften, op de Messias die alle macht heeft gekregen in de hemel alsook op aarde. Alle nadruk ligt dus op de vervulling van het Koningschap van Jezus. Daarmee is de opgave van de apostelen mogelijk gemaakt. De zendingsopdracht komt zo te staan in het teken van gekregen genade, van ontvangen voorrecht. En zo is het Evangelie ook in de eerste eeuw verspreid, niet als een zware taak, maar door vluchtende gelovigen die het als een voorrecht zagen te getuigen van de verlossing die zij zelf hadden ontvangen en nu aanboden aan een ieder die zij tegenkwamen.
Wat bedoelde Jezus als hij sprak over ‘discipelen’? Waarom spreekt hij over ‘discipelen’ en niet over ‘gelovigen’?
Een discipel van Jezus is iemand, die een persoonlijke relatie met Hem heeft en Zijn onderwijs ook weer aan anderen doorgeeft. Men wordt een discipel door gedoopt te worden en onderwezen te worden (vs.20). De doop is het begin, de inwijding van de discipel. ‘In de naam van’ geeft het doel en het gevolg van de doop aan. Door de overgave in de doop belijdt een gelovige het eigendom te zijn van God (van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest).
Om een discipel te worden, die het van Zijn Meester geleerde weer aan anderen doorgeeft, moet de gedoopte nu eerst zelf geleerd worden te onderhouden alles wat de Here Jezus geboden heeft. De overgave in de doop is het fundament voor deze wijze van onderwijs.
De opgestane Heer sluit zijn korte toespraak af met een belofte. In het ‘Ik ben met u’ belooft Hij Zijn goddelijke tegenwoordigheid (vgl. Gen.28:15; Ri.6:12; Hand.18:10). Jezus verzekert Zijn discipelen met deze woorden dat Hij in de Geest aanwezig zal zijn (vgl. Joh.14:23) en dat Hij hen met Zijn koninklijke macht (vs.18) zal beschermen tegen allerlei onheil (vgl. Mar.16:17; Luc.10:19). En dit zal hij doen ‘tot aan de voleinding van de wereld’, dat wil zeggen tot aan het einde van de tegenwoordige wereld, tot aan de komst van de Zoon des mensen in heerlijkheid (vgl. Mat.13:39; 24:3). Wat een beloften! Wat een voorrecht!

Matteüs 28 en 2Kronieken 36

Het laatste waar ik op wil wijzen is de overeenkomst tussen de laatste verzen van dit evangelie en de laatste verzen van 2 Kronieken 36. Dit is met name daarom zo opmerkelijk omdat 2Kron.36 het laatste hoofdstuk van de TeNaCH is, van het Joodse Oude Testament. Wat heeft Matteüs hiermee willen zeggen? In 2Kron.36:22-23 lezen we het volgende:
“In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken:  ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van de HEER, hun God, en daarheen gaan.”
Cyrus de Grote was in 559 v.Chr. koning van Perzië geworden.  Hij laat de Joden die door de Babyloniërs in ballingschap waren weggevoerd naar Jeruzalem terugkeren en vervult zo de profetieën van Jeremia (Jer.25:11-12 en 29:10).
De twee verzen in 2Kron.36 zijn de laatste twee verzen in het joodse OT, want in de Hebreeuwse Schrift die ook Jezus en de apostelen gebruikten, hebben de boeken een andere volgorde dan in onze moderne bijbels. En juist deze twee laatste verzen bevatten woorden van koning Cyrus de Grote over het herstel van de tempel voor Israël.
Wanneer we de laatste regels van het evangelie van Matteüs hiermee vergelijken lijkt Matteüs zowel door inhoud als door plaatsing een toespeling te maken op deze laatste regels uit de TeNaCH. De uitspraken van Cyrus en Jezus lijken erg op elkaar. Beide krijgen macht over heel de aarde, beide geven de opdracht om te gaan, beide geven de belofte van Gods tegenwoordigheid bij het vervullen van de opdracht.

Matteüs weet en bevestigt dat Cyrus een gezalfde, een messias was, die door God geroepen was (zoals ook Jesaja zegt in Jes.45:1). Deze Cyrus is een profetisch type, een schaduw, van de Messias die nu gekomen is, Jezus.  Cyrus was een gezalfde die van God de opdracht kreeg om de tempel in Jeruzalem te bouwen voor het joodse volk, maar Jezus is de Messias die gezag heeft en opdracht geeft om een tempel te bouwen voor alle volkeren. En die tempel bestaat uit zijn gemeente, uit levende stenen, leerlingen die zich laten dopen en Jezus Christus gehoorzamen.

En zo ontvouwt zich het heilsplan van God dat Hij al aankondigde toen Hij Abraham riep en tegen hem zei: “in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden” (Gen.12:3).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *